Molukkers in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL)
De Molukken vormen een omvangrijke eilandengroep in het oosten van Indonesië. Sinds het begin van de 17e eeuw hadden de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en later het Koninkrijk der Nederlanden grote invloed op de regio. De strategische ligging en de rijkdom aan specerijen maakten de Molukken tot een belangrijk handelsgebied. In deze koloniale tijd werden veel Molukkers gerekruteerd als soldaat in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), mede vanwege hun militaire reputatie en loyaliteit aan het Nederlandse gezag.
De geschiedenis van de Molukse KNIL-militairen begint in de 19e eeuw, toen Nederland de Molukken bestuurde als onderdeel van Nederlands-Indië. De Molukkers, bekend om hun loyaliteit en moed, werden in groten getale gerekruteerd voor het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Dit leger werd ingezet om het koloniale gezag te handhaven en streed onder andere tegen opstanden in diverse delen van Nederlands-Indië. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vochten Molukse KNIL-militairen tegen de Japanse bezetter. Velen van hen, samen met hun gezinnen, werden gevangengenomen en ondergebracht in Japanse interneringskampen, waar ze onder erbarmelijke omstandigheden moesten overleven. Mishandeling, hongersnood en ziekte waren dagelijkse realiteit. Talloze militairen en gezinsleden stierven door uitputting of executie. Na de Japanse capitulatie in 1945 werd Nederlands-Indië geconfronteerd met de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. De jonge Republiek Indonesië vocht toen tegen het koloniale bewind van Nederland. Molukse militairen kozen in deze strijd vaak de kant van Nederland. Dit deden zij uit loyaliteit aan het koninkrijk en in de hoop op een vorm van autonomie binnen een Nederlands-Molukse band.
De strijd voor onafhankelijkheid: De Republiek der Zuid-Molukken (RMS)
In 1949 erkende Nederland de onafhankelijkheid van Indonesië, wat het einde betekende van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). De Indonesische regering eiste dat alle KNIL-militairen zich aansloten bij het Indonesische leger (TNI) of gedemobiliseerd werden. Voor Molukse KNIL-militairen was dit een groot probleem. Ze voelden zich verraden door Nederland en weigerden zich bij het Indonesische leger aan te sluiten, omdat ze vreesden voor represailles. Op 25 april 1950 riepen Molukse leiders de onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken (RMS) uit. De Indonesische regering reageerde hier meedogenloos op en onderdrukte de opstand met militair geweld. In 1966 executeerden de Indonesische autoriteiten RMS-president mr. dr. Chris R.S. Soumokil. Veel Molukkers die betrokken waren bij de RMS kwamen in conflict met de Indonesische autoriteiten; ze werden vervolgd of gevangengezet. Tijdens deze gewelddadige onderdrukking zijn veel Molukkers om het leven gekomen.
Gedwongen overtocht naar Nederland
Molukse KNIL-militairen konden niet in Indonesië blijven; ze werden daar gezien als verraders. Tegelijkertijd wilde Nederland hen niet blijvend opnemen als burgers, in de hoop dat ze ooit konden terugkeren naar de Molukken. In 1951 besloot de Nederlandse regering om ongeveer 12.500 Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen tijdelijk naar Nederland over te brengen. Ze kwamen aan op schepen zoals de Kota Inten en de Fairsea en werden ondergebracht in voormalige Joodse doorgangskampen, verspreid over Nederland. Bekende voorbeelden waren Schattenberg (voorheen kamp Westerbork), Vught en Lunetten. De leefomstandigheden in deze kampen waren erbarmelijk. De barakken waren koud, vochtig en niet geschikt om in te wonen. De Molukse KNIL-militairen en hun vrouwen mochten niet werken en waren volledig afhankelijk van een kleine toelage van de Nederlandse overheid. Daarbij spraken de meeste Molukkers geen Nederlands, wat de situatie nog ingewikkelder maakte. Ze leefden in de veronderstelling dat hun verblijf tijdelijk was en dat ze snel zouden terugkeren naar de Molukken, maar dit bleek een valse belofte van de Nederlandse regering. Een tragisch gevolg van het verblijf in deze kampen was het hoge sterftecijfer onder jonge kinderen. Veel kinderen overleden in hun eerste levensjaar, voornamelijk door de slechte leefomstandigheden, gebrekkige medische zorg en ondervoeding.
Eerbetoon
De Molukse gemeenschap pleit voor een landelijk beleid voor de graven van KNIL-militairen en hun echtgenotes in Nederland. De Nederlandse overheid schuift de verantwoordelijkheid echter af op de lokale besturen in de gemeenten waar Molukkers wonen. Hierdoor zijn diverse lokale initiatieven ontstaan. Deze groepen pleiten voor het vrijstellen van grafrechten en het plaatsen van monumenten ter nagedachtenis aan de Molukse KNIL-militaren en hun gezinnen. In de praktijk heeft dit geleid tot grote verschillen in de lokaal vastgestelde regelingen voor grafrechten. De gemeenten Assen en Midden-Drenthe hebben de graven van Molukse KNIL-militairen, hun echtgenotes en jonggestorven kinderen voor onbepaalde tijd vrijgesteld van grafrechten. Bovendien hebben deze gemeenten geld beschikbaar gesteld voor het ontwikkelen van herdenkingsmonumenten. De speciaal hiervoor opgerichte Stichting Molukse KNIL-Graven Assen & Midden-Drenthe ziet het als haar taak om deze gedeelde geschiedenis voortdurend onder de aandacht te brengen. De geschiedenis van Nederland en de Molukse KNIL-militairen is een triest verhaal, waarin verraad en de strijd om erkenning belangrijke elementen zijn. Dit blijft een belangrijk hoofdstuk in de Nederlandse geschiedenis dat niet vergeten mag worden.
